Site map Overzicht  de Zilverster
020-4708857
Bellen met Skype™
 
   
 
Zwanen

Sprookje van het lelijke eendje

Motto: altijd al zwaan geweest

Een inspirerend verhaal van herinneren

Het sprookje van “het lelijke jonge eendje”, vrij naar Hans Christian Anderson.

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Het sprookje

De wijsheid in het sprookje

Zwaanschap is gegeven

Geen verandering

Radicale breuk

Overgave

Niet herkende zwaanschap

De weg

Koppeling met Zijnsoriëntatie

Niet herkende boeddha

Literatuur

Het sprookje

Op de een of andere manier was er een zwanenei in een eendennest beland. Moeder eend nam dit ei probleemloos onder haar vleugels en broedde het met liefde uit. Maar, in het nest al, was dit eendje anders als zijn broertjes en zusjes. Het was iets groter en het kwam ook wat later uit, terwijl moeder eend al druk in de weer was om haar overige kroost te verzorgen.

Eenmaal uit het ei gekomen, bleek ook dat het eendje anders kwaakte, iets grotere poten en vleugeltjes had en ook een iets te lange nek. En hoewel voor moeder eend al haar kinderen gelijk waren, vonden de andere eenden het een vreemde eend in de bijt. En, zoals kleine eendjes dat onder elkaar doen, begonnen zijn broertjes, zusjes en andere eenden uit de eendenklas hem te plagen. “Kun je niet gewoon kwaken.” En “Moet je dat zien: wat waggelt die gek.” En ze zeiden ook wel “lomperik” tegen hem, omdat hij wat groter was.

Het lelijke eendje wilde heel graag bij zijn broertje en zusjes horen en deed daarom zijn uiterste best zich aan te passen. Hij leerde kwaken als een eend. Hij trok zijn zwemvliezen in en wist een bocht in zijn nek te leggen, zodag die wat korter leek. Ook leerde vliegen zonder zijn vleugels helemaal te spreiden. Maar ondanks zijn aangepaste gedrag werd het lelijke eendje gepest. Vooral over zijn onhandige manier van vliegen. Nu zei moeder eend daar wel eens wat van, maar ze was erg druk met al haar kinderen en hield van alle eendjes evenveel en kon zich het pesten ook niet zo voorstellen.

Op een gegeven moment neemt het pesten zulke vrede vormen aan dat het lelijke eendje het moedige besluit neemt om uit het ouderlijke nest te stappen en ergens anders zijn heil te zoeken.

Tijdens zijn rondzwerven ontmoet hij een kalkoen. Deze kalkoen is zeer vriendelijk, maar hij bekijkt het lelijke eendje eens en zegt: “Je bent een beetje iel. Niet om het een of ander, maar je mist wat body. Daar zou je iets aan moeten doen. Dat zou goed voor je zijn.” Dat was een goed bedoeld advies. Het lelijke eendje loopt verder en ontmoet een duif. Deze verteld hem dat hij echt een te lange nek heeft. Het lelijke eendje loopt weer verder en ontmoet een kip. Hoewel ze een goed gesprek hebben, vind de kip hem een wat rare ‘kip’.

Zo zwerft het lelijke eendje rond en ontmoet nog verschillende andere dieren. Maar elk dier ziet hem als een mislukte uitgave van zichzelf. En nergens vind het lelijke eendje onderdak.

Op een goede dag ziet het lelijke eendje iets heel bijzonders. Hoog in de lucht ziet hij een groep zeer sierlijk en mooie vogels overvliegen. Gracieus en koninklijk vliegen ze over. Hij wordt tot in zijn hart geraakt door hun schoonheid. Hij weet niet wat voor vogels het zijn, maar houdt onmiddellijk van ze. Het liefst wil hij direct naar ze toe. Maar ze vliegen te hoog en te snel om erachter aan te gaan. En hij is er ondertussen ook van overtuigd eigenlijk mislukt te zijn, dus hij probeert het niet eens.

En zo groeit het eendje op tot een volwassen, zich beperkende eend. Hij weet de kost te verdienen en krijgt vrienden. Zo wordt de kalkoen zelfs een goede vriend van hem die hem regelmatig bijstaat met goede raad. Hij heeft een manier gevonden om zich te redden met zijn samengeknepen poten en kort gehouden vleugels. Hij raakt er zelfs aan gewend en mee op zijn gemak.

En dan, op een dag, komt hij bij een meer. En daar ziet hij weer die prachtige vogels gracieus over het water glijden. Hij is weer diep geraakt door hun schoonheid en kracht. Voorzichtig stapt hij het water in en zwemt langzaam dichterbij. Als de zwanen, want dat zijn het, hem zien, komen ze uit het water omhoog met wijd open vleugels en veel lawaai.

Het eendje weet niet dat dit de manier is waarop zwanen elkaar begroeten. Hij duikt in elkaar van angst. Even overweegt hij om weg te gaan, maar het lelijke eendje is zo diep in zijn hart geraakt door hun schoonheid, dat hij besluit te blijven. “Pik me maar dood” zegt hij. Hij buigt zijn hoofd en in afwachting van wat komt.

Ineens ziet hij in het water zijn spiegelbeeld. In een schok herkent hij zichzelf. Hij is ook een sierlijke en schitterende zwaan. De andere zwanen zijn dichterbij gekomen en strelen hem met hun snavel. Het lelijke eendje is overgelukkig. Maar hij is niet trots. Want een waar hart heeft geen trots.

De wijsheid in het sprookje

Er zitten een aantal zaken in dit sprookje die mij raken.

Zwaanschap is gegeven

Het eerste is dat het eendje zichzelf niet kent als zwaan. De tragiek zit erin dat wij, als toehoorders vanaf het begin weten dat het lelijke eendje eigenlijk een zwaan is. Maar zelf heeft het lelijke eendje dat niet door. Het weet niet anders dan dat het een eend is. Het is omgeven door eenden die hem behandelen als een eend. Logischerwijs beschouwt hij zichzelf ook als eend. Ook kunnen wij snappen dat hoe graag het lelijke eendje het ook wil en hoe goed hij ook zijn best doet, hij wordt nooit een eend. Alleen hijzelf kan dat, vanuit zijn geloof in het eendschap, niet vatten.

Geen verandering

Wat duidelijk wordt aan het verhaal is dat het lelijke eendje geen zwaan wordt door hard aan zichzelf te werken en langzaam te veranderen van eendschap naar zwaansschap. Juist zijn pogingen om iets te worden zitten hem dwars. Want, wat kan hij vanuit zijn eigen gezichtspunt van eendschap veranderen? Hij kan alleen proberen een betere eend te worden. Maar juist zijn geloof in eendschap beperkt hem. Hij kan vanuit eendschap zichzelf niet oprekken tot zwaanschap.

Radicale breuk

Uiteindelijk herkent hij zich in één keer als zwaan. Het blijkt altijd al een zwaan geweest te zijn. En daarmee laat hij in één keer zijn eendschap achter zich. Hier is geen overgang, maar een radicale breuk met het verleden, met het bekende gezichtspunt.

Overgave

En wanneer herkent het lelijke eendje zichzelf als zwaan? Op het moment dat het bereid is zichzelf los te laten voor datgene wat voor hem van waarde is, datgene waar zijn hart van opbloeit. Deze bereidheid om afstand te doen van het bekende ‘kleine-ik’ maakt dat het zich als iets groots kan herkennen. Vanuit eendschap is dat niet mogelijk. Als iemand hem had verteld dat hij eigenlijk een zwaan was, had hij dat niet geloofd.

Niet herkende zwaanschap

Wat ook mooi is aan het verhaal is dat van het begin af aan het lelijke eendje al zwaan was. Zelfs in zijn verkrampte vorm met samengetrokken voeten en onhandige vliegen met kort gehouden vleugels. Dat was ook al zwaanschap, alleen in een te klein jasje en niet herkent als zwaan. Zo bezien is eendschap eigenlijk bevroren zwaanschap. Het lelijke eendje wordt geen zwaan door iets in zichzelf af te keuren, maar door zichzelf te herkennen als zwaan, precies zoals hij is. Door zijn kramp en onhandigheid te herkennen als bevroren zwaanschap.

De weg

Wat het verhaal niet verteld is dat het hem waarschijnlijk nog wel moeilijk zal vallen, zichzelf permanent in zijn zwaanschap te herkennen. Hij is zo geïdentificeerd geraakt met eendschap dat dit voelt als een vertrouwd, zij het wat beknellende jasje. Vanuit eendschap voelt roept zwaanschap ook angst voor de eigen grootsheid op. Het eendje zal zich dus ook nog regelmatig op de wereld oriënteren vanuit eendschap. Wat het eendje dan te doen staat is zich dit moment herinneren: van zijn geraaktheid door schoonheid, zijn hoofd buigen en zichzelf direct herkennen als zwaan.

Koppeling met Zijnsoriëntatie

Zwaanschap staat voor de open staat die al gegeven is. Deze is zo dichtbij en staat zo haaks op het beeld dat je van de wereld hebt, dat je het niet ziet. Eendschap staat voor je dagelijks zelf, soms ook wel de psyche genoemd.

Er valt niets te doen. Elke poging tot veranderen is onderdeel van het probleem. Het gaat om jezelf direct te herkennen als inherent vrij. En door je eigen verkramping daar in mee te nemen. Dus niet weg te poetsen, want dat is iets voor de turbo eend, maar ze te erkennen en herkennen als bevroren openheid.

Dat direct herkennen is een radicale breuk maken met je bekende zelfbeeld en wereldbeeld. Maar om die breuk te maken moet je eerst de bereidheid mobiliseren om jezelf ook daadwerkelijk los te laten. En dat voelt voor het dagelijks zelf als sterven. Vanuit de gegeven vrijheid (zwaanschap) kun je het herkennen als overstijgen. Want alle kwaliteiten die het dagelijks zelf heeft ontwikkeld zijn niet ineens weg. Sterker nog, deze zijn nodig om de openheid in de wereld te zetten.

Niet herkende boeddha

Vanuit de openheid wordt ook kwaliteit zichtbaar in de kramp. Want het onhandig vliegen met ingetrokken vleugels, is eigenlijk gestold verlangen om erbij te horen en te leven. Waar je misschien gewend bent om vanuit superego te veroordelen dat het lelijke eendje zich zo heeft laten beperken, daar kun je vanuit de openheid zien dat het juist de inherente vrijheid is die in de kramp zit. Vanuit onze aanname, als eend, dat het één beter zou zijn dan het ander, dat openheid beter is dan kramp, zou je de kramp weg willen doen. Maar daarmee doe je geen recht aan de levenslust die erin zit. Je zou dan ook de levenslust amputeren. En wat je dan krijgt is een depressieve eend, geen vrije eend.

Dit is het principe van de niet herkende boeddha: de inherente vrijheid in de kramp herkennen, zonder ze eerst om te sleutelen tot vrijheid. Mijn ervaring is dat dat een diepe ontspanning geeft bij mensen. En dan pas kunnen ze kijken naar hoe de kramp er precies uitziet en hoe die ontstaan is. Dan kan er een rouwproces opgang komen met verdriet en woede. Maar omdat het gedragen is in de openheid, is dit rouwproces een verademing. En zelfs als dit niet direct iets veranderd aan de kramp en het gedrag dat erbij hoort, dan nog ervaren mensen dat ze anders in de wereld staan: rustiger, meer ontspannen, meer accepterend naar de mensen om hun heen.

Vanuit het herkennen van de vrije kwaliteiten in de kramp ontstaat er zin om iets nieuws uit te proberen. Niet omdat er iets mis is met de kramp, want deze wordt nu herkend als een vorm van deze vrije kwaliteiten, maar vanuit een organische behoefte om te leven en het leven aan te gaan.

Literatuur

Geïnspireerd leven en werken, van Lammeren en van Rijsewijk, 2004.

De niet-herkende Boeddha, Hans Knibbe, 2001.

 

Het lelijke eendje